Uncategorized

De Stoïcijnse Begrippenlijst: van Adiaphora tot de Wijze

Het stoïcisme en andere hellenistische filosofie bevatten af en toe termen die in het Nederlands, of andere moderne talen, geen equivalent hebben maar toch belangrijk zijn voor de filosofische gedachtegang. Vrijwel altijd is het echter prima mogelijk om het stoïcisme te begrijpen zonder al te veel waarde te hechten aan deze oude begrippen, maar voor degenen die ze wel graag willen kennen is de onderstaande begrippenlijst wellicht handig.

Zie de uitleg van de onderstaande begrippen als een startpunt voor verder onderzoek en interpretatie, en niet als definitief. De stoïcijnen waren namelijk een diverse groep, verspreid over een lange periode, en verschillende denkers dachten dan ook anders over deze termen. De oude stoa verschilt vaak van de jonge stoa, zeker als het gaat om het belang van fysica (natuurkunde); recentere stoïcijnse filosofen richten zich toch voornamelijk op de ethica en levenskunst. Mocht je dus meer willen weten over deze hellenistische en stoïcijnse concepten dan is aan te raden zelf verder te lezen, en daarom vind je bij de onderstaande begrippen ook links die daarbij kunnen helpen.

A

Adiaphora: Dingen die onverschillig zijn. Dat wil zeggen: het maakt iets niet beter of slechter, en is dus een ‘neutraal.’ Voor de stoïcijnen zijn dingen onverschillig als het niet binnen binnen de morele keuze ligt. Zie ook: de stoïcijnse splitsing van controle, en stoïcijnse onverschilligheid.

Apatheia: Een staat van kalmte waarin negatieve emoties (of ‘passies’) afwezig zijn of je niet van slag maken. Je zou het ook kunnen omschrijven als de afwezigheid van externe, negatieve invloeden. Het is niet zozeer onverschilligheid als meer gelijkmoedigheid of gemoedsrust – het ervaren van emotionele stabiliteit.

Aretē: Morele deugd, of ‘uitmuntendheid’. Eén van de belangrijkste doelen van het stoïcisme is het ontwikkelen en naleven van morele deugdelijkheid. De belangrijkste deugden voor de stoïcijnen waren: wijsheid, moed, rechtvaardigheid, en zelfbeheersing. Het uitoefenen van deze deugden leidt, volgens de stoïcijnen, tot geluk (zie ook eudaimonia).

D

Deugd: Goede (morele) eigenschap, die uitgevoerd wordt in de praktijk. De stoïcijnen kenden vier kerndeugden. Zie ook: aretē.

Dwaze: Wie niet leeft volgens de rede en volgens de stoïcijnse kernwaarden, maar zichzelf laat leiden door emoties, leeft in de waan van de dag vol rusteloosheid. Deze persoon is niet een wijze maar een dwaze. De wijze is een stoïcijns ideaalbeeld, en een dwaze is dus exact het tegenovergestelde van wat een stoïcijn wil zijn. Zie ook: lerende & wijze.

E

Ekpyrosis: Cyclische verwoesting en geboorte van de aarde, de natuur, en het universum. Niet zozeer een onderdeel van de ethische filosofie van de stoïcijnen, maar wel belangrijk voor de oude stoa waarin ook natuurkunde en kosmologie werden bestudeerd.

Eudaimonia: Wordt vaak vertaald als ‘geluk’ – maar heeft een veel rijkere betekenis. Een betere vertaling zou zijn: vervulling, welzijn, of menselijk bloeien. Volgens de stoïcijn is eudaimonia te bereiken door enerzijds gemoedsrust en emotionele stabiliteit te hebben (apatheia), en ten tweede om “deugdelijkheid” in de praktijk te brengen (aretē).

Eupatheiai: Voor de stoïcijnen een acceptabele vorm van emoties. Dit betekent: rationeel, behoedzaam, en evenwichtig in plaats van onbelemmerd. Vaak het resultaat van het uitoefenen van deugden, of de juiste handelingen in de praktijk.

G

Geluk: zie Eudaimonia.

Gelukkig leven: Voor de stoïcijnen is een gelukkig leven een leven in overeenstemming met de rede / de “menselijke” natuur. Dat is: leven volgens de deugden, werkend aan het ontwikkelen van eudaimonia.

H

Hègemonikon: Het leidend beginsel van de (menselijke) ziel, het deel van onszelf dat in controle is en beslissingen maakt. Je zou kunnen zeggen dat het gelinkt is aan onze persoonlijkheid en karakter. Van belang voor de stoïcijnen is dat de hègemonikon verschillende functies heeft: het opdoen van indrukken (extern of intern), het instemmen (of niet) met deze waarnemingen, en een impuls tot handelen geeft (of niet). Een snel voorbeeld: iemand beledigt mij (een indruk), dit tast mij niet aan want het zijn slechts woorden (geen instemming), dus ik hoef ook niet te reageren (geen impuls tot handelen).

Heimarmenè: het lot, zie ook amor fati.

L

Lerende / Leerling: iemand die niet ‘een wijze’ is (en dat is vaak een onhaalbaar ideaalbeeld), maar zich tot probeert te ontwikkelen, en probeert te streven naar wijsheid en verbetering is als het ware een ‘dwaze’ die leert. Het zijn de personen die niet perfect zijn, maar het wel van belang vinden om een ontwikkeling door te maken. Ze boeken vooruitgang, maar hebben hebben het eindpunt nog niet bereikt.  

Logos: universele rede, een actief ordenend beginsel. Alles wat er gebeurt is volgens de rede – het is geen zelfstandig doel, of een onafhankelijk brein, maar het is een onderliggend beginsel dat orde schept in een chaotische wereld. Zie het als volgt: we leven in een wereld dat in constante verandering is; niets is permanent, en alles wat is, verzwakt langzaam en gaat dood. Maar het is ook een cyclus: vernieuwing en verwoesting, geboorte en dood, et cetera. We zijn allemaal verenigd in deze vernieuwing – en logos is datgene wat de verandering, en dus de cyclus van chaos en orde, leidt.

P

Phantasiai: indrukken, waarnemingen. Dit is een onbewust proces, en deze indrukken worden vervolgens door ons geïnterpreteerd en mee ingestemd of niet (zie ook hègemonikon).

Pathè: emoties, passies.

Pneuma: (levens)adem, een concept dat onderdeel is van de oude stoïcijnse fysica (natuurkunde). Datgene wat materie leven geeft en wat in de hele kosmos te vinden valt.

Prohairesis: Voorkeur of keuze, vooral bedoelt in de context dat wij altijd vrij zijn om een situatie te evalueren en daarin een juist oordeel te vellen. Dit is woord dat vaker terugkomt bij Epictetus, terwijl andere stoïcijnen meer hègemonikon lijken te gebruiken. Is er een verschil tussen die twee woorden? Één interpretatie is dat prohairesis datgene omvat wat altijd in onze macht is, dat wil zeggen: de interpretatie van waarnemingen en de keuze om te handelen of niet. (In contrast met hègemonikon wat ook het oncontroleerbare opdoen van indrukken omvat.)

Pronoia: voorzienigheid, datgene wat het universum leidt. Elke gebeurtenis valt terug te leiden uit een vorige gebeurtenis, alles is een causale keten als het ware, en al deze gebeurtenissen hebben dus een oorzaak of doel. Deze oorzaak zou je ook kunnen omschrijven als het lot.

S

Sunkatathesis: instemming, als in: instemming met waarnemingen, indrukken en observaties. Als een waarneming of indruk de hègemonikon bereikt (als het ware), kun je wel/niet instemming hieraan geven, en vervolgens over gaan tot een handeling.

Sympatheia: sympathie, onderlinge afhankelijkheid, samenhang tussen alles. De stoïcijnen leefden niet voor zichzelf, maar geloofden dat alles onderling aan elkaar verbonden is. Het grotere goed, de samenleving of mensheid als geheel is van belang; sympatheia is het concept dat hierop doelt.

W

Wijze: Een ideaalbeeld voor de stoïcijn, de persoon die perfect en volledig leeft. Bestaat deze wijze? Seneca, één van belangrijkste stoïcijnse filosofen, omschrijft zichzelf nadrukkelijk niet als een wijze – we kunnen de wijze dan ook beter zien als een rolmodel die in praktijk (vrijwel) niet voorkomt.


Reacties (0)

Geef een Reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met (*)