Brons standbeeld van Marcus Aurelius te paard.
Uncategorized

Marcus Aurelius Citaten en Uitspraken

Foto van een Standbeel van Keizer Marcus Aurelius in het Louvre.

Marcus Aurelius was keizer van het Romeinse Rijk tussen 161 en 180 n.d.j. Tegenwoordig staat hij bekend als de ‘keizer-filosoof’ van de oudheid omdat hij leefde en regeerde volgens zijn filosofische gedachten. Stel je voor: de meest machtigste persoon op aarde die ook een filosoof is? Die niet al zijn macht gebruikt voor zelfverrijking en vernietiging, maar probeert eerlijk en goed te regeren? Marcus Aurelius is in dat opzicht één van de uitzonderingen op het gezegde ‘macht maakt corrupt en absolute macht maakt absoluut corrupt.’

We weten dat Marcus Aurelius continu bezig was met praktische filosofische omdat hij een soort dagboek aan zichzelf schreef (getiteld: ‘Ta eis heauton’ wat vertaald wordt als ‘Aan hemzelf’ of ‘Persoonlijke notities’). Dit boek was nooit bestemd voor publicatie, maar gelukkig voor ons is het wel bewaard gebleven. Het bevat namelijk veel wijsheden over nederigheid, discipline, standvastigheid, en in het algemeen, over het zijn van een ‘goed mens.’

Hieronder een selectie van twintig Marcus Aurelius citaten en uitspraken uit zijn Persoonlijke Notities. Voor meer informatie over hem, en zijn filosofie, bekijk onze uitgebreide biografie.

Selectie van Marcus Aurelius citaten:

Wat een obstakel was bij een werk, wordt een hulpmiddel, en wat je verhinderde een bepaalde weg in te slaan, wordt een richtingwijzer.

Doe je oordeel weg, en weg is je gevoel ‘ik ben benadeeld’. Neem dat gevoel weg en weg is het nadeel zelf.

Wees als de rots waartegen de golven breken, zonder ophouden. Hij is onwrikbaar en eromheen komt het bruisende water tot rust.

‘Arme ik, dat mij dat overkomen is.’

Helemaal niet. Je moet juist zeggen: Ik heb geluk dat ik, terwijl mij dat overkomen is, verder leef zonder dat ik eronder lijd, ongebroken door het heden en onbevreesd voor de toekomst. Want iets dergelijks kon iedereen overkomen, maar niet iedereen zou vervolgens verder geleefd hebben zonder eronder te lijden.

De beste manier om je op iemand te wreken, is niet te worden zoals hij.

Het leven lijkt meer op worstelen dan op dansen, in zoverre je altijd voorbereid moet zijn op onvoorziene aanvallen en vast op je benen moet staan.

’s Morgens vroeg moet je tegen jezelf zeggen: vandaag zal ik mensen ontmoeten die bemoeiziek zijn, ondankbaar, agressief, onbetrouwbaar, jaloers, egoïstisch. Zo zijn ze geworden omdat ze niet weten wat goed en wat slecht is. Ik echter heb ingezien dat het goede van nature mooi en eervol is en het slechte lelijk en beschamend, en dat de boosdoener zelf, door zijn natuur, met mij verwant is, niet omdat we van hetzelfde bloed of zaad zijn, maar omdat we allebei deelhebben aan dezelfde rede, dat wil zeggen: een klein stukje van het goddelijke in ons hebben.

Daarom kan ik door geen van hen geschaad worden (niemand kan mij immers slechte dingen laten doen) en kan ik ook niet boos worden op wie met mij verwant is of hem haten. Wij zijn toch geboren om samen te werken, zoals de voeten en de handen, de oogleden en de onder- en boventanden. Elkaar tegenwerken is dus in strijd met de natuur; en zich ergeren en zich afkeren van anderen is een vorm van tegenwerken.

Ze zullen toch precies hetzelfde doen, ook al barst jij van woede.

Wanneer je lijdt door iets van buitenaf bezorgt niet dat ding zelf je pijn, maar je eigen oordeel erover. En je hebt het zelf in de hand dat op ieder gewenst moment te herroepen. En als je lijdt door iets in je eigen instelling, wie verhindert je om je mening te corrigeren?

Ik heb me vaak afgevraagd hoe het komt dat weliswaar iedereen zichzelf het meest liefheeft, maar toch minder waarde hecht aan zijn eigen oordeel dan aan dat van anderen.

De tijd is een soort rivier van gebeurtenissen, een wilde stroom. Want zodra iets gezien wordt, is het alweer meegesleurd en drijft er iets anders voorbij, dat ook weer meegevoerd zal worden.

Kijk achter je, in de gapende afgrond van de tijd, en vóór je, in een andere oneindigheid. Wat is, tegen die achtergrond, het verschil tussen een kind van drie dagen en een Nestor, die drie generaties heeft zien komen en gaan?

Weldra zul je alles vergeten, weldra zullen allen jou vergeten.

Wat doen de mensen toch vreemd. Ze zijn niet bereid hun tijdgenoten te midden van wie zij leven te prijzen, maar ze hechten er wel veel belang aan zelf te worden geprezen door het nageslacht, mensen die ze nooit gezien hebben en nooit zullen zien. Dat is bijna even dwaas als eronder lijden dat het voorgeslacht geen prijzende woorden over je heeft gesproken.

Kort is ieders leven en dat van jou is al bijna voorbij, terwijl je geen respect toont voor jezelf, maar je geluk afhankelijk maakt van anderen.

Het is een kenmerk van een volmaakt karakter iedere dag te leven alsof het de laatste was; zo’n karakter kent geen opwinding, geen lethargie, geen onoprechtheid.

Meen niet, als je zelf ergens grote moeite mee hebt, dat het voor een mens onmogelijk is. Integendeel, als iets voor een mens mogelijk is, moet je denken dat het ook voor jou bereikbaar is.

De eerzuchtige beschouwt wat anderen doen als zijn eigen belang, de genotzuchtige wat hij zelf voelt, maar de verstandige wat hij zelf doet.

Als het niet betamelijk is, moet je het niet doen; als het niet waar is, moet je het niet zeggen.

Alles wat gebeurt, gebeurt zo dat je het van nature kunt verdragen of niet. Als je dus iets overkomt wat je kunt verdragen, beklaag je dan niet, maar verdraag het, omdat je het kunt. En als je het niet kunt verdragen, beklaag je dan ook niet, want voor je het weet, ben je eraan bezweken.

Je moet er helemaal niet meer over redeneren wat een goed mens is, maar er één zijn.

Voor andere stoïcijnse uitspraken zie ook de citaten van Seneca, Zeno van Citium, Musonius Rufus en Epictetus.


 

Reacties (0)

Geef een Reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met (*)